29 okt. 2018

Stuntelen naar Kyoto


29 oktober 2018 

13:26 Japanse tijd (05:26 Belgische tijd)

Ik zit aan een hoge tafel tegen een blinde muur, met om me heen het gemurmel van een rusteloze mensenmassa, nu en dan onderbroken door hoogstemmige, geforceerd vrolijke Japanse aankondigingen. Ik zit hier maar met één doel, en dat is mijn telefoon bijladen. Ik ben bijna op bestemming, maar net die laatste sprong kan ik alleen na nog een vlugge blik op mijn kaart, en die heb ik uiteraard in het geheugen van mijn telefoon zitten. 

Je weet wel, dat ding waarmee ik de hele vlucht foto's heb genomen en GPS-locaties heb zitten opvragen. Van dat batterij-vretende gedoe. Jep, ik ben niet van de slimste. 

Maar goed. Terwijl mijn telefoon véél te langzaam wat oplaadt, vertel ik jullie alvast hoe ik hier ben terechtgekomen. Mijn vorige blogpost eindigde halfweg de vlucht tussen Helsinki en Nagoya, en daar pik ik graag in. Ik vertelde hoe het Siberische landschap plaatsmaakte voor de Mongoolse hoogvlakte, dan het Yangebergte, en vervolgens de stoffige kustvlakte waar China's megasteden liggen. Die hele tijd ging de zon zich te buiten aan een spectaculaire zonsopkomst. Het vliegtuig maakte een zwierende bocht naar het zuiden, een poos later gevolgd door een naar het oosten, zodanig dat we nét niet boven Noord-Koreaans grondgebied zouden vliegen. We suisden in plaats daarvan over de bergen en bossen van noordelijk Zuid-Korea, en zo in één vlotte beweging tot bij de Japanse Zee. De naam zegt het al, Japan was niet ver meer nu. Eilandjes begonnen te verschijnen, en plots doemde daar de landmassa op waar ik de komende dagen door zou brengen. Het vliegtuig maakte een bocht, stak de eilandketen in de breedte over, maakte een enorme, wervelende spiraal boven de Baai van Ise en landde met een amper voelbare bons op het tarmac van Chubu Centrair International Airport, een kunstmatig eiland speciaal voor dit doel gebouwd. 

Eenmaal geland volgde als vanouds de typische rompslomp: lange rijen, automaten met vingerafdrukscanners, camera's, norse beambten. Vervolgens een stempel, en ik mocht door naar de ruimte met de bagagebanden. Daar hoefde ik amper te wachten eer mijn eigen koffer verscheen, en met verse moed (en amper moe) trok ik naar het treinstation van de luchthaven, want ik was nog niet op bestemming! Alleen was dat makkelijker gezegd dan gedaan, want plots waren de bordjes om me heen allemaal in dat betoverende maar helaas volstrekt onleesbare Japanse schrift. Hier en daar stond in kleine lettertjes gelukkig nog Engels ook, maar het duurde toch een hele poos eer ik begreep dat ik mijn tickets moest kopen in iets dat eruit zag als een reisbureautje vol flitsende tv-schermen en zeemzoete posters van berglandschappen, prachtig gesitueerd in een verder volslagen uitgestorven gang. De dame achter de balie vertelde me de prijs in Japanse yen, en ik dacht slim te zijn door gauw even mijn telefoon eruit te wippen en mijn yen-naar-euro-omzetter te gebruiken. Maar wat zag ik? Batterij dood! 

Een korte (en hopelijk goed gecamoufleerde) paniekaanval later tikte ik glimlachend mijn code in en kreeg ik mijn tickets in de hand gedrukt, samen met een zeer schemerige omschrijving van mijn traject. "Next train leave in 3 minute!" wist de dame me nog te zeggen, waarop ik het met koffer en al op een rennen zette. Ik kwam bij een rij nieuwe automaten, sukkelde wat met dat minuscule ticketje voor mijn eerste rit, en wist nog net voor het sluiten van de deuren op de trein naar Nagoya te springen. Oef! 

Op de trein werd pas goed duidelijk hoe onvoorbereid mijn informatieverslaafde brein was op de plotse afwezigheid van mijn telefoon: geen podcast, geen spelletjes, geen e-book. Geen Google Maps ook om te controleren wanneer ik op bestemming was. Ik bepaalde me dus tot uit het raam staren, en met gespitste oren naar de Japanse aankondigingen van de stations te luisteren. Een mens wordt warrig op zo'n momenten. Op gegeven ogenblik schoot het zweet me op het voorhoofd bij de gedachte dat "Nagoya" in het Japans wel eens helemaal niet "Nagoya" hoefde te heten. Tenslotte zeggen de Chinezen ook niet "Peking". Hoe moest ik dan weten waar ik moest afstappen?

Gelukkig zijn de Japanners iets consequenter, want 44 minuten na mijn vertrek zette ik voet aan de grond op het perron van Nagoya, precies op het uur dat de tabellen hadden aangegeven. Maar nu kwam de volgende horde natuurlijk. Bleek dat er in Nagoya verschillende stations zijn, die allemaal vlakbij elkaar liggen, en dat ik dus dit station (Meitetsu Nagoya) moest verlaten, een straat oversteken om meteen het veel grotere station (simpelweg Nagoya geheten) binnen te stappen. Mits wat vragen en op taalbarrières botsen vond ik uiteindelijk waar ik moest zijn. Ik vond zelfs het verbazend smalle gangetje naar de sporen van de Shinkansen (de "kogeltrein" die de hele eilandketen van noord naar zuid verbindt), stopte mijn ticket in de juiste automaat en rende het vuur uit mijn sloffen omdat ik plots een Engelstalige stem hoorde aankondigen: "train to Tokyo leaving in three minutes from platform 16". Ik holde een roltrap op, wurmde me langs wat verbouwereerd kijkende Japanners, ploeterde over het perron, zag al een stationsbeambte met een bordje zwaaien en stond op het punt om de trein om te springen toen ik een ingeving kreeg: mijn bestemming was Kyoto. Dit was de trein naar Tokyo, helemaal de verkeerde richting uit. ik kwam slippend tot stilstand en zette me met schaamrood op de wangen aan de kant, zodat de Japanners die ik zonet omver had gekegeld met beleefde onverschilligheid aan boord konden gaan. De deuren sloten, de trein zoemde, en met nauwelijks enige trilling zoefde hij weg. De laatste wagons die langskwamen hadden al een ontzaglijke snelheid.


Nahijgend besloot ik om even de omgeving in me op te nemen. Het station van Nagoya is gigantisch. Een schijnbaar eindeloze reeks sporen ligt naast elkaar, de perrons netjes afgeschermd met muurtjes zodat je niet op de sporen kan vallen. Deurtjes schuiven pas open zodra een trein is aangekomen en volledig stilstaat. Elektronische borden tonen de helft van de tijd alles in het Japans, de andere helft alles in het Engels. Er zijn krantenwinkeltjes, broodjeszaken, koffiebars, en ik zie zelfs een soort mini-superette, allemaal netjes op de perrons, met genoeg ruimte aan weerszijden om kinkel-reizigers als mezelf langs te laten denderen zonder de hele boel te versperren. Het ziet er allemaal heel netjes uit, en heel efficiënt. 

Zodra ik eenmaal op mijn positieven gekomen ben, keer ik terug naar de centrale hal in de onderbuik van het station. Ik kijk op bordjes, lees aankondigingen, en vraag uiteindelijk bevestiging bij een van de vriendelijke dametjes aan de informatiebalie: jawel, de trein naar Kyoto komt eraan. En ja, deze keer is het wel degelijk Kyoto meneer, zegt ze met een oogverblindende glimlach. Ze zullen vast wel vaker zwetende, slaapgedepriveerde reizigers zien passeren. 

De trein naar Kyoto suist door de buitenwijken van Nagoya, danst om rollende heuvelruggen heen, en krijgt pas echt vaart wanneer we het platteland betreden. We knallen al gauw 300 km/u, zonder dat je daar ook maar iets van voelt. Het landschap suist zo snel voorbij dat ik amper mijn aandacht erbij kan houden. Ik voel mijn ogen zwaar worden, maar dit is niet het moment om in slaap te vallen. Ik voel er niets voor om een kwade stationschef een paar honderd kilometer voorbij Kyoto tekst en uitleg te geven, dus pluk ik een boek uit mijn koffer dat ik nog op een laatste ingeving van thuis heb meegegrist, en spits mijn oren bij elke aankondiging. Wanneer we Kyoto naderen zegt een vriendelijke Engelse stem om alvast op te gaan staan, want we houden maar heel even halt. Ik raap mijn spullen bij elkaar, de trein mindert vaart, komt tot stilstand. ik loer toch maar even links en rechts voordat ik het perron op stap, maar dan zie ik een bordje dat "Kyoto Station" zegt. Opgelucht stap ik uit. 

En zo beland ik hier, in een ondergrondse wachtruimte in die kolos die "Kyoto Station" heet, terwijl mijn telefoon eindeloos traag oplaadt. Ik besluit het op te geven. Ik pluk een papiertje uit mijn zak (een kotszakje dat ik van het vliegtuig heb meegenomen), en teken daar mijn hele verdere route op uit. Dan maar analoog!


18:55 Japanse tijd (10:55 Belgische tijd)

Ik ben uitgeput. Op. Leeg. Zo plat als mijn batterij eerder vandaag. Maar nog sta ik mezelf niet toe om in slaap te vallen. Het is nog te vroeg, en ik wil zo snel mogelijk op Japans ritme zitten. Anders sukkel ik de rest van deze trip. 

Oké, wat heb ik de afgelopen uren nog gedaan, hoor ik je zeggen? Wel, ik ben in mijn hotel geraakt! Met behulp van mijn brave kotszakje. Metro naar Shijo Station, dan een paar straatjes, en hop, daar was ik dan. Ik heb me verbaasd over de zeer beperkte kennis van het Engels van zelfs de mensen aan het onthaal, maar ben met veel leute en handen- en voetenwerk alsnog in mijn kamer terechtgekomen. Het management had blijkbaar het gebrekkige Engels van haar medewerkers voorzien, want enig zoeken bracht een geplastificeerd papier aan het licht waarop in zowel Japans als Engels de instructies stonden. Hoe de lift werkt, wat de ontbijt-uren zijn, dat soort dingen. Handig! 

Na wat te hebben geluierd op mijn kamer (en mijn telefoon te hebben opgeladen!) heb ik toch maar weer mijn schoenen aangetrokken, en ben ik de stad in gedoken. Kyoto in de namiddag is gezellig, ondanks de kaarsrechte lanen. Het stratenpatroon mag dan nieuw lijken, het dateert blijkbaar van rond 800 n.C. toen de stad werd opgericht als een geschaalde kopie van de toenmalige Chinese hoofdstad Chang'an. Gevolg is dat de rechte lanen dan ook lekker nauw zijn (zo nauw dat het een poos duurde eer ik wist of ze hier nu links of rechts rijden!), en er overal schattige houten balkonnetjes uitsteken. Kyoto is trouwens een van de weinige steden in Japan die de Tweede Wereldoorlog zonder veel kleerscheuren hebben doorstaan, vandaar al die oude gebouwen. Ik las ergens dat de stad oorspronkelijk bovenaan het lijstje stond om gebombardeerd te worden met de atoombom, en dat ze daar op het nippertje van werd gered omdat de toenmalige Amerikaanse minister van Oorlog er zijn huwelijksreis had doorgebracht. Het zit hem soms in kleine details. Goed nieuws voor Kyoto, minder goed voor Nagasaki, dat als vervanger werd gekozen...

Op een kwartiertje wandelen van mijn hotel ligt Nishiki Market, een wijk met gezellige straatjes die stuk voor stuk overdekt zijn met vrolijk gekleurd glas. Aan weerszijden zitten de straatjes tjokvol winkeltjes, veelal voedsel, en het mag dan ook niet verbazen dat het er een geweldige, gezellige drukte is. Ik zie sushi zo vers dat ze haast nog spartelt, ijskramen waar guitige schoolmeisjes braaf zitten te likken terwijl ze naar passerende schooljongens gluren, bloemenwinkels, stripwinkels (manga!), zelfs een Wendy's. Daar blijf ik ver bij vandaan. Ik vind een winkel met niets dan kristallen en halfedelstenen en loop eventjes verloren, tot ik merk dat ik discreet maar onophoudelijk wordt gevolgd door een in kimono gestoken winkelbediende. Die westerling met zijn diepe zakken zullen ze niet vertrouwen. 


Een beetje beledigd ga ik dan maar weer de straat op, en struikel haast over een grote rode poort, behangen met tientallen zacht gloeiende lantaarns. Het ziet er sprookjesachtig uit. Het blijkt een jinja te zijn, een heilige plek in de oorspronkelijke religie van Japan: shinto. In zo'n shintoschrijn wonen volgens de overlevering kami, heilige wezens die nu eens voorouders, dan weer natuurkrachten voorstellen. Deze is gewijd aan Sugawara no Michizane, een oude wijze die hier ligt opgebaard. Men gelooft dat ouwe Suga koeien als boodschappers gebruikt, en daarom vind je er dan ook een mooi bronzen beeld van een bijzonder alert kijkende koe. Voor het grootste gebouw hangt een dik, stevig touw omlaag – bovenaan hangt een zware steen bijna tegen een logge bel aan. Als je hard genoeg met het touw schudt, kan je zo de bel doen klinken. Dat mag wel pas nadat je een muntje hebt geofferd. Er hangt een muur vol kleine houten plankjes waar bezoekers hun wensen op neer hebben geschreven, zomaar in om het even welke taal. Ouwe Suga spreekt ze tenslotte allemaal. Links en rechts van het touw staan kleine, kleingeldbediende kastjes waar een miniatuurmonnik bij een druk op de knop speciaal voor jou aan het bidden slaat.

Oké, goed, ik omschrijf het een beetje onnozel. Maar dat is vooral omdat ik me geen blijf weet met mijn verwondering, en mijn onbegrip. Deze hele plek is heel mysterieus voor me, en aan de ene kant word ik daar nogal lacherig van, maar zelfs ik kan niet ontkennen dat er magie hangt. Het is er heel stil, mensen zijn heel sereen, en ik voel dat ik ondanks alles meegezogen wordt. Het is maar een klein schrijn in een drukke stad, maar toch doet het iets. Zelfs met die malle koe en die minimonnik. Misschien is het wel de ingetogenheid van deze plek, en hoe onberispelijk mooi het hier is.


Vijf uur is sluitingstijd, en dat zal ik geweten hebben. Wanneer ik de jinja buiten wandel, blijken de meeste kraampjes en winkeltjes in Nishiki Market pardoes hun deuren gesloten te hebben, anderen zijn druk bezig dat voorbeeld op te volgen. Ik maal er niet om, ik heb het gezien, en was aangenaam verrast. Ik slenter rond tot ik langs een deurtje kom waarachter een keldertrap schuilt. Een menu naast de deur verklaart dat dit een restaurant moet zijn, ook al kan ik er niks van lezen. Ik volg mijn nieuwsgierigheid, daal af, kom in een gemoedelijke ruimte uit waar ik heel welkom word ontvangen. Ik blijk de enige klant te zijn, maar dat weerhoudt me er niet van om een biertje en een gerecht te bestellen, zomaar gebaseerd op de foto's in het menu. En het is nog lekker ook!


Rond half zeven is mijn buikje rond gegeten, en besluit ik om terug te keren naar het hotel. De straatjes zijn plots uitgestorven, maar ik voel me geen moment onveilig. Ik slenter mijn hotel binnen, zwaai eens naar de mensen achter de balie, en zoek mijn kamer op. Ik kijk op mijn klok: amper zeven uur. Nog eventjes, Pieter, maan ik mezelf aan. Kijk nog wat Netflix, maar probeer wakker te blijven. Schrijf misschien al een stukje reisverslag.

En dat doe ik dus.
Read More

Eerste indrukken Japan - op naar wonderlijk Kyoto


28 oktober 2018

16:32 Belgische tijd (17:32 Finse tijd)

Ik zit aan boord van een vliegtuig – het tweede al vandaag. Mijn eerste vlucht bracht me van Brussel naar Helsinki, en toonde me de mooiste landschappen. Ik zag de Schelde kronkelen doorheen het vlakke Vlaamse land, zag de kerktoren van Sint-Niklaas, en het dorp waar ik ben opgegroeid. Dan gleden we over de glinsterende wateren van Zeeland, langsheen de havensteden van Nederland, de Wadden, een stukje Duitsland, dwars over Denemarken en de zuidelijke punt van Zweden heen alvorens in het ijzige Finland te landen. Twee uur overstap en een snelle hap bij Burger King later zit ik op deze tweede vlucht, op weg naar een iets exotischer bestemming: Japan. Mijn vlucht zal me naar Nagoya brengen, een grote stad halfweg die prachtige eilandketen, en dan is het de Shinkansen (de kogeltrein) naar de stad waar ik binnenkort twee dagen vergadering heb, de oude hoofdstad van Japan: Kyoto.


Het is met gemengde gevoelens dat ik vanochtend ben vertrokken. Tuurlijk, een zake reisje naar Japan is fantastisch, maar tegelijk heb ik voor het eerst onze prachtige dochter achtergelaten, en haar prachtige mama daar bovenop. Ik mis ze nu al.

Het vrouwtje in de stoel naast me is een Japanse, en dat heb ik geweten. Bij aankomst in het vliegtuig begint ze meteen haar hele tas ondersteboven te halen. Ze trekt steunkousen aan, giet een wit poedertje in haar mond, drinkt van een flesje water dat ze zelf heeft meegebracht (hoewel er water wordt rondgedeeld), druppelt wat vloeistof in haar ogen, ontsmet haar handen en begint vervolgens als een bezetene op een bolletje rijst te kneden, ingepakt in vershoudfolie. Dat bolletje verdwijnt weer onaangeroerd in haar tas, en boven komt een piepklein agendaatje, waarin ze allerlei dingen in begint te noteren die nergens op lijken te slaan. En dat weet ik omdat het in onhandig neergepriegeld Duits is, waarvoor ze bij zowat elk woord haar telefoon raadpleegt bovendien. Om de zoveel tijd kijkt ze op, en een keer betrapt ze me op gluren. In plaats van kwaad te fronsen zet ze een ontwapenende glimlach op, een gnuifje, en weg gaat het boekje, waarop ze weer vanalles in en uit haar tas begint te halen. Als we even later ons eten voorgeschoteld krijgen, steekt ze vriendelijk haar glaasje rode wijn op. Ik doe hetzelfde, en even haperen we als roestige mechanische figuurtjes tussen klinken en drinken. Het klinken komt er niet van, en glimlachend over die onhandigheid zetten we allebei precies tegelijkertijd het glaasje aan onze lippen.

Aan de overkant van het gangpad zit nog een Japanse, veel minder druk in de weer, maar toch heel typisch. Ook zij vangt mijn nieuwsgierige blik op gegeven moment, maar dat ze glimlacht weet ik alleen door de rimpeltjes bij haar ogen, want voor haar mond zit een papieren doktersmaskertje. En ze is lang niet de enige aan boord! Ikzelf vind het een gek gezicht, al zie je die brave Japanse dames met masker soms wel eens in Brussel rondlopen ook. Misschien geraak ik er straks in Kyoto wel helemaal aan gewend?

21:35 Belgische tijd (05:35 Japanse tijd)

Het is stil aan boord van de Airbus A330-300 onderweg van Helsinki naar Nagoya. De verlichting is gedoofd, hier en daar is nog een schermpje zichtbaar, maar de meeste passagiers slapen. Ikzelf heb net een vol uur tussen slapen en waken doorgebracht, misschien wel het enige beetje slaap dat ik vannacht mag verwachten. Tegen het raam hangt mijn telefoon, vakkundig tussen het glas en het schuifgordijntje geperst omdat ik een freak ben: op die manier ontvangt mijn toestel af en toe een blipje GPS-signaal, zodanig dat ik achteraf mijn hele koers op de kaart uit kan zetten. Ik ben pas weer wakker, en besluit de oogst van het afgelopen uur te bekijken. Daarvoor moet het gordijntje natuurlijk omhoog. Ik tik het schermpje tot leven, pruts wat, zie dat de oogst geslaagd is. En dan valt mijn oog op iets anders. Daarbuiten.

Achter het kleine raampje heerst bijna volmaakte duisternis. Bijna, want de "winglet", dat opstaande dingetje aan het eind van de vleugel, is fel verlicht. Een rood lampje pinkt, en eronder waaier de hele nachtelijke wereld voor me open. Bergen. Witbesneeuwde, kartelige massieven, lonkend in de schemer: de Oostelijke Sajan, die zachtjes komt oprijzen van de Mongoolse hooglanden en zich dan met haast hoorbaar geweld in de Siberische vlakte stort. Ik bezie het van de Siberische kant, en zelf bij nacht is het heel indrukwekkend. Het is in de schoot van dit gebergte dat het Bajkalmeer zijn oorsprong vindt: het diepste meer op aarde, met het grootste volume zoet water, en veruit het oudste meer in de geschiedenis van onze planeet bovendien. Dat meer krijg ik niet te zien, daarvoor zit ik aan de verkeerde kant van het vliegtuig, maar ik kan de massieve aanwezigheid van haar peilloze diepten haast voelen. Dat ik hoegenaamd iets zie is een mirakel, bedenk ik, zo in de Siberische nacht, maar dan besef ik dat er wel degelijk wat licht is. Heel ver boven ons, net zichtbaar als je je wang regen het glas duwt, hangt de nog bijna volle maan tegen een achtergrond van duizenden blinkende sterren. Plots besef ik hoe klein we zijn: het vliegtuig is slechts een minuscuul streepje in de eindeloze leegte tussen de bergen en de sterren, met zwartheid overal om me heen. Ik voel me klein, maar niet bang, want daar halfweg de maan en die blikkerende winglet staat mijn favoriete sterrenbeeld: de trotse, weergaloze Orion. Alsof hij over dit vliegtuig hangt te waken.

Jep, dit wordt een magische reis.

23:11 Belgisch tijd (07:11 Japanse tijd) 

Een kleinigheid, maar toch het vermelden waard. Zonet de grens tussen Mongolië en China overgestoken, en steeds dichter komen we bij onze bestemming, het land van de rijzende zon. En jawel, terwijl wij naar het oosten suizen komt voor ons met een rotvaart een nieuwe dag op ons af. De sterren zijn een voor een uitgepinkt, en het diepe fluweelzwart heeft plaatsgemaakt voor zinderend blauw, met aan de horizon voor ons een band vlammend oranje. We spelen vals natuurlijk: we vliegen de zon tegemoet, maar de snelheid waarmee de nacht is geweken, is niettemin verwonderlijk.

Ook op de grond is alles veranderd: geen kartelige bergen meer maar een winterlandschap van effen vlaktes doorbroken door rollende heuvels en ronde, ijsblauwe meren. Hier en daar ligt een stadje: donkere polygonen in de sneeuw, onderling verbonden met potloodlijntjes die snelwegen blijken te zijn. We zijn weer in de beschaving aangekomen.


Even later – de hemel is zich nog steeds te buiten aan het gaan aan vurige ochtendkleuren – dient zich op de grond plots een scherpe scheidslijn aan: de witte vlakte houdt abrupt op, en nieuwe, bruine kloven wriemelen zich naar het laagland. Een blik op de kaart leert me waar we zijn: de grens tussen de graslanden van Binnen-Mongolië (de Chinese provincie, zij noemen het land Mongolië immers "Buiten-Mongolië") en het laagland waar monstersteden als Beijing en Tianjin breed uitgesmeerd liggen. Deze bruine kloven zijn het Yangebergte, en hier is het ook dat de Chinese Muur ligt (al loopt die natuurlijk nog duizenden kilometers verder). Ik krijg de Muur niet te zien, waarschijnlijk omdat ik niet weet waar te kijken. Maar het mag duidelijk zijn dat we een nieuwe wereld hebben betreden, een waar keizers heersten en die miljarden hun thuis noemen.


Read More

11 okt. 2016

Rust en avontuur in het junglehart van Bali (Huwelijksreis etappe 8)


— zaterdag 30 juli 2016 —

De sprong naar Bali

Het is laat in de namiddag, en de zon is al aan het zakken naar de westelijke horizon wanneer ons vliegtuig zich losscheurt van het tarmac van Lombok International – de neus hoog in de lucht, de vleugels suizend in de wind. We klimmen snel, en onder ons vervagen de groene heuvels van Lombok tot een betoverend groengrijs, als bossen in de ochtendmist. Al na een paar minuten doemt een bleke streep op in de verte, een brede strook wit zand in de vorm van een halvemaan met een glinsterend blauw vlak erachter. We naderen, en het wordt duidelijk dat dit een van de stranden is waar we gisteren nog met de scooter heen zijn gereden. Het vliegtuig buigt af en volgt een eindje de kust, alsof ze speciaal voor ons de route nog eens vanuit de hoogte herhalen. Guling, Mawun, Semeti, en tot slot het toverachtige Selong Belanak, waar buffels het strand overstaken en surfers in de golven speelden. Het vliegtuig zwenkt opnieuw, zoekt de zee op en begint de jacht op de zon, die al bijna haar race naar de kim heeft voltooid. Wij zijn op achtervolgen aangewezen.
Read More

7 sep. 2016

Jungle en hagelwitte stranden op Lombok


— woensdag 27/07/2016 —

Op naar 'vasteland' Lombok!

Nu onze verkenning van de Gili's erop zit, is de tijd gekomen om Lombok zelf te gaan exploreren! We ontbijten in alle vroegte op het terras van onze kamer-voor-één-nacht, hijsen de rugzakken op de rug en begeven ons door het nog slapende eilandje naar de haven van Gili Air. Daar hebben we afgesproken met een tourorganisator om 7:50, zodat we de ferry naar vasteland-Lombok van 8:00 kunnen nemen. Uiteraard komt de tourorganisator flink te laat, maar gelukkig is de ferry er ook met een halfuur vertraging — want wat had je dan gedacht. In het horizontale ochtendlicht stomen we over de nauwe zeestraat die Gili Air van Lombok scheidt. Rinjani, de monumentale vulkaan van noordelijk Lombok (met zijn 3726 meter de op één na grootste van Indonesië) steekt protserig boven de heuvels uit. Het is op zijn flanken dat onze eerste bestemming zal liggen.
Read More

4 sep. 2016

Kopje onder in de Lombok Strait


— vrijdag 22/07/2016 —

Onze laatste ochtend in het relaxe Lovina is aangebroken (of zoals Moreno en Patricia, een Nederlands koppel dat we hier ontmoetten, het grappend omschreven: het Tsjernobyl van Bali). We kramen op, ontbijten op ons gemakje en wachten tot de chauffeur die we gisteravond hebben gefikst ons komt oppikken.



De grote trek naar het oosten

Op drie uur tijd snorren we in alle luxe langs de Noord-Balinese kuststrook naar het oosten, met aan het verre eind het plaatsje Amed. Onderweg houden we tweemaal kort halt in een ijdele poging om een Engelstalig boek te vinden, want ik zit intussen bijna zonder leesvoer. Een derde stop is op suggestie van de chauffeur, bij een eigenlijk bijzonder onopmerkelijke Hindoetempel waar we ons in traditionele klederdracht moeten hullen, een gids meekrijgen die niets uitlegt maar ons wel allerlei dingen verbiedt, en ons op het eind een formulier onder de neus duwt om een 'gift' te doen. Commissie? Geen idee, maar iemand is er alvast weer rijker van geworden.


Amed is een dorpje ver bij alles vandaan. Het ligt in een van de dorste streken van Bali, waardoor landbouw er moeilijk is, en haalde oorspronkelijk zijn enige beetje inkomen van de zoutwinning. Tot iemand ontdekte dat het water voor de kust krioelt van de vis, en daar het toeristisch potentieel in zag. Intussen hebben veel van de zoutpannetjes plaats geruimd voor homestays, en dat is niet tot Amed beperkt gebleven: de toeristische opleving gaat traag maar gestaag verder naar het zuiden, dorpje na dorpje, die vanwege de bron van die plotse weelde ook wel samen bekend staan als Amed. Het is nog steeds geen streek van weelde en overvloed, maar toerisme heeft er voor een keer een positieve invloed gehad – op het alomtegenwoordige afval langs de straatkant na dan.

De eerste ontmoeting met Straat Lombok

Ons verblijf voor vannacht heet Tudes Homestay, en is alleen te herkennen aan een bordje met een pijl die naar een steegje van hoogstens een meter breed wijst. Een stel kleine meisjes springt meteen behulpzaam op ons af als ze ons zien uitstappen, en vertelt ons dat we het steegje moeten volgen tot aan het strand, en dan linksaf. We volgen hun aanwijzingen op de voet onder gekwetter à la ''what your name?'' en ''where you from?'', komen inderdaad op het strand terecht, en knipperen in het felle zonlicht dat ons overvalt. Voor ons ontvouwt zich een nieuwe zee, die zachtjes likt aan het strand met het geduld van eonen. We slaan linksaf, passeren de achterkant van een aantal woonhuizen en hotelletjes, en worden door de meisjes huppelend naar het juiste terras gewezen. Een man komt overeind van een strandbed en stelt zich voor, hij blijkt de eigenaar van Tudes Homestay te zijn. Hij wijst ons naar onze kamer, een van de twee die hij tegen de achterkant van zijn eigen huis heeft aangebouwd. Het is er ruim en licht – een beetje kaal misschien, maar dat kan helemaal geen kwaad: meer plek voor onze spullen. De badkamer is proper (wel geen warm water, maar wie maalt daar om bij deze hitte), en ons terras heeft twee stoelen, een tafeltje en een ligbed. Het is ook hier dat morgenvroeg ons ontbijt geserveerd zal worden. We gooien onze spullen af en trekken ons zwemplunje aan. Op suggestie van de eigenaar nemen we elk een set snorkelmateriaal en haasten we ons naar de lonkende zee.


Het schouwspel onder water zal niet hét mooiste blijken van onze reis, maar het is een absolute openbaring. Je bent nog maar een paar meter van de kust en overal om je heen zwemt vis, van piepkleine elektrisch blauwe sprotjes tot beesten groter dan je hoofd in alle kleuren die je je maar kan inbeelden. Een flink deel van de cast van Finding Nemo komt zich voorstellen, maar niet Nemo zelf, die zal nog een paar dagen op zich laten wachten. Die avond laten we ons verwennen met een Balinese massage op het strand: achter ons het ruisen van de zee, voor ons de oergeluiden van de jungle, en overal om ons heen het snel veranderende licht van de zonsondergang. We dineren in een strandbarretje dat volledig uit bamboe is opgetrokken, en gaan lekker desserten een eind verderop, onder begeleiding van Chinees fluitspel en slagwerk, en de nachtelijke kreten van een grote, schichtige gekko.


— zaterdag 23/07/2016 —

Na ons ontbijt op het terras – heerlijk! – trekken we gauw weer de snorkels aan voor een voormiddag verkenning onder de golven. We dobberen boven het rif, duiken tussen de gekste vormen van koraal en hebben een zeer griezelige, maar gelukkig korte aanvaring met een grote, bijzonder agressieve vis. We zijn zomaar aan het rondzwemmen wanneer dat beest opeens op ons af stuift, zo groot als een flinke koekenpan en met loerende ogen en een gapende bek vol nagelscherpe tanden. Hij keert pas vlak voor onze neus om en zwemt weg, om meteen weer op ons af te stormen. Ik weet hem met flink wat moeite op afstand te houden met mijn zwemvliezen, en op gegeven ogenblik geeft hij zijn aanvalspogingen op. Later, terug veilig aan wal, laten we de eigenaar wat foto's van het beest zien, en hij vertelt doodleuk dat dit een blauwvintrekkervis is, een behoorlijk hitsig baasje. Duikers en snorkelaars zijn al meermaals flink toegetakeld door deze knaap.


Knotsend en botsend naar de paradijselijke Gili's

Die middag trekken we gepakt en gezakt langs de kustweg naar het zuiden, op naar de haven waar we de fastboat naar onze volgende bestemming zullen nemen. De 'haven' blijkt weinig meer dan een kantoortje-annex-bistro te zijn, met daarachter een reep strand. Ons ticket zegt dat we om 13:00 stipt vertrekken, maar het zal tot 14:40 duren eer we eindelijk aan boord stappen. Iedereen lijkt zich vreselijk te haasten, en Cathy en ik denken dat dit weer een typisch staaltje van toeristiteit is (zoals aan boord van een vliegtuig gaan rechtstaan in de middengang zodra je geland bent), maar er blijkt wel degelijk een reden te zijn. De laatsten die aan boord gaan, krijgen immers geen zitje op de banken binnenin de buik van de fastboat, maar mogen achteraan plaatsnemen in de zon. Is dat zo erg dan? hoor ik je denken. Wel, nee. Niet zolang de boot stil ligt. We vertrekken, en al snel merken we dat de fastboat tegen alle verwachtingen in zijn naam niet gestolen heeft. Hij scheurt door het water de turkooizen baai uit. Zodra we op open water komen, begint hij te stampen op de aanrollende golven. Water spat aan weerszijden metershoog op, en door een lichte zijwind komt dat met bakken op het meisje in de stuurboord achterhoek terecht. Die is binnen een paar seconden volslagen doorweekt. Cathy en ik zitten in het midden, maar ook wij krijgen flink wat water te verwerken.


(bovenstaand filmpje is gemaakt vóórdat de zijwind opstak. Zodra het water begon over de rand te gutsen, hebben we onze camera natuurlijk veilig weggestopt!)

In de verte, aan stuurboordzijde, begint de schim van een nieuw eiland op te doemen. Donkere bergen klimmen boven de horizon, worden groener en feller naarmate we naderen. Dit is Lombok, weten we, het kleine zusje van Bali. Al een paar jaar wordt beweerd dat Lombok op het punt staat om toeristisch open te bloeien. Er zijn snelwegen aangelegd en grote lappen land zijn al verkocht aan ontwikkelaars, maar voorlopig is het er nog rustig, weinig toeristisch en ontzettend ongerept. Kanttekening: soortgelijke termen hebben we ook horen gebruiken wanneer het ging over het mooie Amed, én over het iets minder indrukwekkende Madura. Dus voorlopig houden we ons hart nog vast.

Bestemming voor de komende dagen is nog niet Lombok zelf – wij koloniseren het eiland via een omwegje. Vanuit de noordwesthoek steekt namelijk een schiereiland naar voren, en in het verlengde daarvan springen drie piepkleine eilandjes bij Lombok vandaan: de Gili's. Het eilandje het dichtst bij ons op dit moment (het verst van vasteland-Lombok) heet Gili Trawangan. Het is het meest ontwikkeld, en dé bestemming voor wie al eens graag een feestje bouwt. Het tweede in rij heet Gili Meno – dit is nog hemels rustig (tegen het saaie af eigenlijk). Het derde, Gili Air, heeft de nodige faciliteiten zonder al te druk te zijn, en dat is waar wij gaan verblijven.


Aankomen op de Gili's is alweer een cultuurschok. Er rijden geen auto's, de wegen zijn bijna nergens verhard en er hangt een sfeertje van 'leven en laten leven'. De bebouwing langs de oostkust is vooral op toeristen gericht, maar ga je ook maar een beetje het binnenland in (alles is relatief, Gili Air is op zijn breedst zo'n anderhalve kilometer), dan kom je uit op kleine groepjes huizen opgetrokken uit bamboe en riet waar de locals wonen, overschaduwd door metershoge palmen. Onze verblijfplaats heet Bedolo Bungalows en bestaat uit een zestal huisjes met een dak als een omgekeerd schip, bestaande uit een ruime slaapkamer met een prachtig muggengaas-hemelbed en een badkamer die open is voor de elementen. Er is warm water in de douche (heerlijk) en zowaar zelfs een westers toilet! Die avond slenteren we naar het strand, we dineren er in een restaurantje met zicht op zee en wandelen onder de sterren weer naar huis.

— zondag 24/07/2016 —

Leven als God in... Indonesië

Stranddag! We ontbijten en reppen ons terug naar de kust. Daar huren we snorkelmateriaal en smijten we ons de zee in, en de hele dag doen we niets anders dan badderen, snorkelen, opdrogen en weer het water in. We dineren bij kaarslicht met de likkende golven vlakbij, en aan de overkant blinken de lichtjes van vasteland-Lombok lonkend.



— maandag 25/07/2016 —

Fietsen door het paradijs

Vandaag doen we het weer wat actiever. We nemen de ferry naar Gili Trawangan, waar we bij aankomst al meteen overvallen worden door de drukte. De straten lopen er vol blanke toeristen. Sommige te voet, andere op de fiets of in een koetsje voortgetrokken door paardjes die zo te zien niet al te best worden behandeld. De koetsmenner zit de hele tijd met een zweepje op hun flanken, en toetert er lustig op los. Het tuig van de arme dieren is behangen met belletjes die nog meer kabaal toevoegen aan de zo al overweldigende drukte. We ploegen een poosje door de chaos tussen strandbarretjes waar luide muziek uit komt schallen, maar het wordt ons al snel te veel. En dus lunchen we snel ergens (veel duurder dan op Gili Air) en huren we ons fietsen om aan de drukte te ontsnappen. 

Gili Trawangan (kortweg Gili T voor toeristen die de moeite niet nemen het volledige woord uit het hoofd te leren) blijkt op gelijkaardige wijze in elkaar te zitten als Gili Air: een toeristisch ontwikkelde strook aan de oostkust, een binnenland bewoond door locals en een westkust die veel kalmer is, met hier en daar een terrasje voor wie nood heeft aan een (westers) drankje zonder het bijbehorende kabaal. Reden waarom deze kant van de eilanden minder ontwikkeld is: door zeestromingen en dergelijke bestaat de oostkant van elk van de Gili's uit koraalriffen die zich weelderig tot op grote diepte uitstrekken. Ideaal voor toeristen. De zeebodem aan de overzijde van elk eiland is veel vlakker en bestaat enkel uit zand, dat vaak begroeid is met donker zeegras. Mooi om naar te kijken, maar zwemmen is hier lastig, en voor snorkelaars of duikers is er helemaal niets te zien. En dus, voor wie graag eens weg is van de drukte en eerder strand dan zee opzoekt, is deze kant van de Gili's volmaakt.



— dinsdag 26/07/2016 —

Duiken naar de koraalriffen

De wekker staat vroeg, en dat is om twee redenen. Eén: vandaag is onze laatste dag in dit hotel alweer! Normaal zouden we vandaag al naar Lombok vertrekken, maar er was nog één activiteit waar de Gili's om bekend staan die we zeker niet aan onze neus voorbij wilden laten gaan, en dus hebben we elders nog een nacht bijgeboekt... wat ons naadloos bij reden twee brengt: vandaag gaan we duiken!

De riffen waarvan ik al vertelde zijn namelijk het best te bezichtigen van dichtbij, en het merendeel ervan ligt toch net buiten bereik van de doorsnee snorkelaar. We worden om 9:00 verwacht bij duikschool Manta Dive. Aangezien geen van ons beiden een duikbrevet heeft (Cathy heeft wel jaren geleden als eens een duik gedaan onder begeleiding, ik ben volslagen maagd), krijgen we eerst in de voormiddag wat duikles, gevolgd door een duik in het sop in de namiddag.

De les bestaat uit een stel instructiefilmpjes die duidelijk vooral bedoeld zijn om ons te doordringen van het feit dat duiken risico's inhoudt, en dat het uiteindelijk als volleerd duiker de bedoeling zal zijn dat je voor je eigen veiligheid instaat. Daarna volgt de praktijkles in een zwembad. Onze leraar heet Sylvain en spreekt met een heel mooi Australisch-achtig accent, uiterst opmerkelijk voor een Fransman! Hij is sympathiek en doorspekt zijn uitleg met grapjes, wat waarschijnlijk bedoeld is om de zenuwen weg te halen. Dat lijkt echter niet nodig: het blijkt geweldig leuk! Zelfs de idiote oefeningetjes in het zwembad vind ik fantastisch. Wanneer de les erop zit, gaan we iets kleins eten in de buurt, en om 12:00 stipt staan we op het strand waar de boot voor ons eerste duikavontuur al aangemeerd ligt.


De duikplek (Han's Reef) ligt amper een paar minuutjes varen verderop, net genoeg tijd dus om ons in onze uitmonstering te hijsen. De zon schittert op het diepblauwe water en de kust van Gili Air glijdt voorbij. We komen op bestemming, zetten de maskers op en ploffen op Syl's teken achterwaarts het water in. Eén, twee seconden is het wennen, maar dan stop ik mijn hoofd onder water en zie ik de tropische onderwaterwereld onder me open waaieren. Duizenden visjes groot en klein dobberen ongegeneerd rond de rotsen, koraal van felrood tot mosgroen glinstert tegen een achtergrond van het diepste blauw en gulden lichtstralen dansen over dat alles op het ritme van de golfslag. Syl doet teken en we volgen hem de diepte in. Het is aanpassen, natuurlijk. Uitrusting, benen en longen vormen samen een voertuig waar we nog maar pas mee hebben leren werken. Maar Syl is geduldig, de route is eenvoudig en het landschap fenomenaal. Deze keer zien we Nemo wél: schuilend in een toefje anemoon precies zoals de film ons leerde. We zien scholen van de wildste kleuren en de malste vormen. We stuiten op schildpadden die liggen te dutten in de luwte van een rotsblok op zo'n 10 meter diepte, en eentje die plots oprijst en naar de oppervlakte zwemt om lucht te happen als een enorme logge frisbee met flippers. Wanneer de duik erop zit, zijn we (en dan vooral ik) zo uitgelaten als wat. Dit was leuk, dit wil ik nog doen!! We nemen ons voor om eens thuis meteen duiklessen te gaan nemen.

De laatste zonsondergang op de Gili's

Eens we terug vaste grond onder de voeten hebben, slenteren we naar de westkant van het eiland, waar het net als op Gili Trawangan een pak rustiger is. We dineren er met zicht op de andere Gili's en Bali in de schemerige verte, en zijn kroongetuigen van een fenomenale zonsondergang.

Read More